De Cirkel van Godsvertrouwen

Johan Lukasse

Ik wil graag iets schrijven over problemen die jij en ik hebben. Ik heb het over het Coronavirus dat ons allemaal bedreigt. Maar daarnaast hebben we ook allemaal onze persoonlijke moeilijkheden: ziekte, financiële moeilijkheden, relationele spanningen…

Maar al die problemen, bedreigingen of gevaren hebben een functie, meerdere functies zelfs. En ik wil met jullie kijken naar wat Ps. 27 daarover leert.

De achtergrond van deze psalm is het verhaal van Doeg, de Edomiet. Doeg is een man die David verraden heeft. Je vindt het verhaal in 1 Sam. 21 en 22. Tegen deze achtergrond moet je Ps. 27 begrijpen. Vanaf vers 2 zie je dar dat David wordt vervolgd. In vers 4 zie je dat hij uitgesloten is uit Gods huis (in Silo in die tijd)., in vers 10 gaat het over gescheiden zijn van zijn ouders, en in vers 12 over hoe hij belasterd wordt. Dit alles past bij het Doeg-verhaal, zegt Spurgeon, de grote prediker.

Deze psalm is een poëtische weergave van Davids ervaring. Het is dus geen chronologisch verslag. David maakt hier een cirkel, begint met het uitgangspunt van vers 1 en keert daar weer terug in vers 14. Hij maakt dus een cirkel van het gebeuren, een cirkel die ik de naam gegeven heb: “De Cirkel van Godsvertrouwen in grote nood.” Ik dacht dat deze naam ook toepasselijk was in de tijd waar we vandaag zijn terecht gekomen. Een tijd waarin een virus rondgaat, onzichtbaar maar wel levensgevaarlijk. 

In vers 6 begint David over de vraag of je wel mag zingen als je in nood bent? Hij schrijft: ‘Ik wil zingen, ik zal psalmzingen voor de Here en dat te midden van mijn moeilijkheden’. Misschien moeten wij daar iets van leren. Maar goed, onze psalm bestaat uit 4 onderdelen. Hier is het 1ste onderdeel van de psalm.

Onderdeel 1: Het uitgangspunt van het Godsvertrouwen vers 1-3

David begint met te stellen dat een loflied eigenlijk een feest is. “De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen. De Heer is mijn levenskracht voor wie zou ik angst hebben?”

Bewust van zijn nood richt hij zijn blik op God en verwijst daarbij naar een drievoudig snoer: God is mijn licht, mijn heil en mijn burcht (of levensveste). In dat licht van God verdwijnt de duisternis van de strijd. David plaatst die in een ander perspectief. Bij de wedergeboorte hebben ook wij licht ontvangen. We hadden: ”Geen licht genoeg om onze eigen duisternis te zien”. Maar God is ons genadig geweest. Er is een verbinding ontstaan. Jezus zegt: ‘Ik ben het Licht der wereld’. En er is nu Licht in ons, licht rondom ons en licht vanuit ons. En deze psalm getuigt daarvan. ‘Hij is mijn licht en mijn heil.’

Hij is mijn ‘Heil’. Daar staat tegenover  ‘onheil’, onheil dat wordt teniet gedaan in het heil dat Hij geeft.

Met het woord burcht of levensveste heeft David het over bescherming en geborgenheid in Hem. Daarom noemt David dat MIJN licht, een bezittelijk voornaamwoord. Hij is licht, heil en burcht, Hij is dat alles voor mij. In het N.T. klinkt dat zo. “Wat zullen we dan van deze dingen zeggen; als God voor ons is…. die zijn eigen zoon.. Dat is onze positie…” Rom 8:31–37.

In 1952 jaar vond er een grote watersnoodramp plaats in Nederland; er is ter gedachtenis daaraan een beeldje in Zierikzee geplaatst waarop staat: “Beproefd maar niet gebroken”. Ik bedacht dat wij daar in deze Coronatijd ook maar eens aan moeten denken !!! We worden beproefd, we gaan door moeilijkheden, misschien stapelen zich dat bovenop nog persoonlijke  moeilijkheden, of misschien zijn onze eerdere moeilijkheden door Corona verergerd. We worden beproefd, maar… we zijn niet gebroken.

David beschrijft dan zijn conflict op twee manieren: van buitenaf bekeken (vers 2) en daarna van binnenuit (vers 3). Het onderscheid is het woordje NOCHTANS. “Al belegerde een leger… Nochtans”: want ik heb een fundament, een bron.

Een dominee in Oldenbroek had grote problemen met allerlei mensen in zijn gemeente . Hij liet een wandbordje maken met maar één woord; ‘Nochtans’. Dat komt uit Hab. 3:17-19. Het zou een idee zijn voor ons allemaal, denk ik! Wij kunnen dat immers ook zeggen want we kennen de Here ook als onze rots, onze heil, onze burcht.

Onderdeel 2. De basis voor het vertrouwen vers 4-6

Die basis bestaat uit twee dingen; 

  1. Het verlangen van zijn hart (vers 4) en
  2. De zorg van God (vers 5). 

“Eén ding heb ik van de Here begeerd, dat zoek ik, te wonen in het huis van de Here”. Daar begint David mee. In problemen richten wij ons gewoonlijk op het eerste. de problemen. We worden geobsedeerd door wat op ons af komt, op wat we moeten meemaken, op de pijn die we voelen. Dat eist onze aandacht op. We richten ons op onszelf, we vervallen in zelfmedelijden, of we zien andere mensen en worden afgunstig, jaloers, na-ijverig en bitter, want die anderen hebben misschien niet zoveel problemen. David doet dat niet. Hij heeft zijn blik onverdeeld gericht op Gods tempel en Gods aanwezigheid. Je zou zijn focus kunnen vergelijken met de concentratie van renners in de Ronde van Frankrijk: zie ze die blik richten op de finish! Daar gaat het hem om, om niets anders.

David begeert, zoekt, vraagt en jaagt… Ook al krijgen we het niet, of niet helemaal of niet onmiddellijk. Hij zoekt de heerlijkheid te zien van God, de lieflijkheid van zijn aanblik. Hij wil zich laten be-indrukken door wie Hij, God is. Ik denk daarbij aan Henri Nouwen die drie dagen voor het schilderij van Rembrand  “De Verloren Zoon” zat, in het museum van St. Pietersburg. En hij zag wat wij niet zien, hij schreef er een boek over. 

David doet eigenlijk hetzelfde en hij begint dingen te zien. 

Als wij in de tempel van de Here mogen zijn, geconcentreerd luisterend, mediterend, dan gaan wij  opnieuw beseffen wat onze positie is, dat we geplaatst zijn op de rots  en dat we mogen zien dat we rijk zijn in Hem.

Want: ‘Hij bergt me in zijn hut, verbergt mij in Zijn tent, plaatst mij op een rots, ziet zijn positie in Hem.’ Hebben wij daar oog voor, voor onze positie in Christus.? Ik gaf onlangs een preek over de rijkdom in Christus, Kol 2….

In Christus is hier onze bron om de emmer in neer te laten, de deur om op te kloppen, de bank om onze check te innen: in onze positie in Christus. Stel uw vertrouwen op mensen en net als de rijke man bevinden we ons dan plots op een mesthoop. Stel uw vertrouwen op God en we worden als Lazarus: gedragen in de armen van de engelen tot in Abrahams schoot.

Je weet: in het oog van de orkaan is er volkomen stilte. Wij moeten proberen in die stilte van God te komen en ons zo op Hem te richten. 

Het lied uit Johannes de Heer nr 639 klinkt: “Klem vast aan de rots en roem in gena; hoe hoog bij uw worstelen de golfslag ook ga, Uw Jezus uw helper is altijd nabij. De Rots die niet wankelt uw leven is Hij. Klem vast aan de Rots u, want stormweder woedt; ’t is veilig waar Jezus Gods kinderen behoedt”. 

Dat is wat David zegt in Vers 6 “Ik zal zingen… Dat is wat wij ook moeten doen in tijden dat het moeilijk is, want dat is een aspect dat ons helpt om ons hart te laten jubelen voor God.

Onderdeel 3: De diepte van het vertrouwen vers 7-10 

Dit slaat op de diepte van de ellende die David moet meemaken. Hij zong inderdaad nog in vers 6, maar in vers 7 roept hij als iemand die in nood gezeten is. Hij schreeuwt het uit, want dit vertelt nu zijn nood. Iemand in nood fluistert niet en zingt ook niet . Neen, die roept. David wil gehoord en verhoord worden. Hoor Heer als ik u roep, wees mij genadig, antwoord mij! En dat in tegenstelling tot de Farizeeën die wilden gezien worden. Op de hoeken van de straten stonden ze, met brede gebedsriemen, om door de mensen gezien te worden. David is helemaal anders. Hij wil door God  gehòòrd worden. Hij is zoals Petrus die op een bepaald moment vol van geloof durft zeggen: “Heer als gij het zijt die over het water loopt, gebied mij om tot u te komen”. En dan, maar eventjes later,  ziet hij op de omstandigheden (op de golven, op de wind) en dan gilt hij; ‘Here red mij!’ Het kortste gebed in de bijbel. En dat is wat wij ook moeten leren tot ons heil, ook als wij gewoon door het leven gaan.

Vers 8 en 9 geven ons een rijke les die uitgaat van dat roepen. David zegt daar in vers 8: ‘Mijn hart zegt tegen u wat u zelf zegt en dat is wonderlijk,” Daar moet u eens goed over nadenken. Wij ontvangen genade om genade te vragen! Het begint bij God! Dus als wij bidden om genade, is dat reeds genade. Dat Davids hart roept tot God, dat is al door God gewerkt. Als we bidden om genade, is dat reeds genade … het antwoord op het juiste adres zoeken ‘is genade. 

We leren dan om niet meer ons vertrouwen te stellen op andere dingen, maar we zien dat de Here het antwoord is.

U zegt: zoek God, dan doe ik dat ook, zoals vers 8 c zegt. “Ik zoek uw aangezicht… u hebt mij dat geleerd”. Dit is was wij ook moeten leren in deze tijd van moeilijkheden en problemen. Want moeilijkheden brengen ons dichter bij God en leren ons Hem kennen.

Daarna uit David zijn klacht in verzen 9 en 10, en die klacht lijkt op die van Job. Zelfs Jezus kende dat. Als het bericht van de dood van Johannes de Doper aan Jezus wordt gebracht, gaat Hij naar een eenzame plaats. Alleen (Math 14:13). Er zijn lessen die we nooit zouden leren in het leven als het niet was door problemen. 

De befaamde Malcom Muggeridge schreef (1): “In tegenstelling tot wat men zou verwachten, kijk ik met bijzondere voldoening naar ervaringen die op dat moment zelf troosteloos en pijnlijk leken. Ik kan inderdaad met volledige oprechtheid zeggen dat alles wat ik in mijn 75 jaar in deze wereld heb geleerd, alles wat mijn bestaan werkelijk heeft verrijkt en verlicht, door beproevingen is geweest en niet door geluk, of het nu nagestreefd of bereikt is… Dit is natuurlijk wat het Kruis betekent. En het kruis was meer dan wat dan ook datgene wat mij onverbiddelijk tot Christus riep…”. Ja problemen hebben een functie. Ook vandaag.

Onderdeel 4: De praktijk van het godsvertrouwen vers 11-13

Leren wij de lessen die we door de zorgen en problemen moeten leren? Vers 11 zegt: “Onderwijs mij en leid mij.” David wil onderwezen worden. God heeft een plan en een bedoeling. De meest verkeerd geciteerde tekst is die uit Rom. 8: 28. Als we tien Euro vinden, of goed uit een of ander probleem geraken zeggen we: “Ja God doet alles medewerken ten goede. “ Maar in die context spreekt de Bijbel over het zuchten van de schepping en ons onvermogen om zelfs maar naar behoren te bidden. En dan volgt vers 29: “Wie hij al van tevoren heeft uitgekozen, heeft hij er ook van tevoren toe bestemd om het beeld van Zijn Zoon in ons te openbaren.” Dàt is het grote doel: groeien in Christus. 

“Uw  weg is niet mijn weg” zegt God en dat staat meteen tegenover de woorden van Frank Sinatra: “I did it my way!! Vers 12 meldt nog het wapen dat de hel gebruikt: laster. En de aanklager die het gebruikt is Satan lezen we in Openbaringen 12. David zegt bet in zijn gebed: ‘’Het zijn valse getuigen die tegen mij opstaan.’ En uiteindelijk besluit David dan met HOOP…”De Here zal u sterk maken”.

Edith Hahn schrijft in “De Joods Bruid” over die hoop. “Hoop is de gift van God aan de wereld”, stelt ze. Een gift, een cadeautje voor het Chanoekafeest, op een plankje met daarop: « La vie est belle, et elle commence demain ». Ze heeft het ook over een lied dat steeds in haar gedachten komt waarvan de woorden luiden:  

Op een dag wordt de tempel herbouwd

en de Joden zullen naar Jeruzalem terugkeren. 

Zo staat geschreven in de Heilige Schrift. 

Zo staat geschreven. Halleluja.

David sluit in vers 14 met de conclusie die past bij zijn openingsvers, de cirkel sluit zich. Dat moet de coronasituatie met al wat ze meebrengt ons weer leren. Wees vol vertrouwen, Hij brengt u veilig thuis.

(1) Citaat van Malcom Muggeridge ) Uit: “Jesus among other Gods” van Ravi Zacharias Blz. 135Vertaling Oorsprongkelijk uit: A Twentieth Century Testimony (Nashville: Thomas Nelson, 1978)